Turboliquidatie


Bij de ontbinding van een rechtspersoon kan men een onderscheid maken tussen de ontbinding met vereffening en die zonder vereffening. De ontbinding zonder vereffening wordt ook wel aangeduid met ‘turboliquidatie’. Ik zal me hier beperken tot de ontbinding door de algemene vergadering van aandeelhouders van de naamloze vennootschap en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid op grond van artikel 2:19 lid 1 sub a BW. Blijkens die bepaling is de algemene vergadering te allen tijde bevoegd een besluit tot ontbinding van een vennootschap te nemen. In de regel zal het moment van ontbinding bepaald zijn in het besluit tot ontbinding. Mocht het tijdstip van ontbinding in het besluit ontbreken, dan moet de ontbinding geacht worden plaats te vinden bij de totstandkoming van het besluit.

Blijkens artikel 2:19 lid 4 BW volgt er geen vereffening indien er op het moment van ontbinding geen baten meer zijn. De vennootschap houdt dan vanaf het moment van ontbinding op te bestaan. Hiervan moet door het bestuur van de vennootschap direct opgave worden gedaan aan het handelsregister waar de vennootschap staat ingeschreven.

Waarom de turboliquidatie? 

Het voordeel van de turboliquidatie is met name dat de vennootschap tijd en kosten worden bespaard. Indien er geen baten meer zijn, zou het volgen van een vereffeningsprocedure alleen maar leiden tot een verhoging van de kosten, en daarmee tot een verhoging van de schulden van de vennootschap. Tevens wordt de kennisgeving in een landelijk verspreid dagblad voorkomen. Dit kan wenselijk zijn, met name ingeval het de ontbinding betreft van een vennootschap die deel uitmaakt van een concern. De ontbinding van een vennootschap kan door het publiek als iets negatiefs worden gezien, hetgeen het gehele concern in een slecht daglicht kan stellen. 

Toetsing oordeel van het bestuur 

De vraag rijst vaak wanneer de turboliquidatie kan worden toegepast. Hoe stelt men vast dat er geen baten meer zijn? In beginsel zal het bestuur op het moment dat het besluit tot ontbinding is genomen, dienen te beoordelen of de vennootschap nog baten heeft. Zijn oordeel omtrent de afwezigheid van (een vooruitzicht op) baten is voldoende. Dat bepaalde belanghebbenden het niet met deze beoordeling eens zijn, doet in beginsel niet terzake. De rechtspraak heeft dit meermaals bevestigd. Het oordeel van het bestuur dat er geen baten meer aanwezig zijn, kan echter, wanneer dat betwist wordt door bijvoorbeeld een crediteur, door de rechter worden getoetst (HR 27 januari 1995, NJ 1995, 579, AHP/Söderqvist). Het wettelijk stelsel brengt niet mee dat de rechter het bedoelde oordeel uitsluitend zou kunnen toetsen in het kader van de op voet van artikel 2:23c lid 1 BW te voeren procedure tot heropening van de vereffening. Als summierlijk zou blijken dat het bestaan van baten aannemelijk is, aldus de Hoge Raad, dan kan, zelfs als de vennootschap meteen na ontbinding is opgehouden te bestaan, op grond van artikel 2:19 lid 4 BW, indien aan de overige vereisten voor faillietverklaring is voldaan, het faillissement op aanvraag van de crediteur worden uitgesproken en moet de rechtspersoon geacht worden ter afwikkeling van het faillissement te zijn blijven bestaan. Het is derhalve dan niet noodzakelijk de vereffening te heropenen (art. 2:23c lid 1 BW) en daarna faillissement aan te vragen op grond van artikel 23a lid 4 BW. Het verzoek tot heropening kan overigens door een belanghebbende worden gedaan indien na het tijdstip waarop de vennootschap is opgehouden te bestaan, nog een schuldeiser of gerechtigde tot het saldo opkomt of van het bestaan van een bate blijkt. De rechter dient te toetsen of de gestelde vordering en/of bate voldoende aannemelijk is (HR 2 oktober 1998, NJ 1999, 194, FNV/Ventaz).Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat er geacht wordt nog wel een bate aanwezig te zijn indien bijvoorbeeld de vennootschap nog een (geld)vordering heeft tegen bestuurders of commissarissen wegens onbehoorlijke taakuitoefening. 

De ‘lege’ vennootschap

In de praktijk wordt er soms, mijns inziens ten onrechte, van uitgegaan dat er geen baten meer in de vennootschap aanwezig zijn en de vennootschap dus na ontbinding is opgehouden te bestaan, als een vennootschap in feite geen activiteiten (meer) ontwikkelt en een vermogen heeft dat gelijk is aan het geplaatste kapitaal. Dit komt met name voor in concernverhoudingen waarbij het vermogen van een vennootschap gewoonlijk bestaat uit een vordering op de moeder, zoals in de volgende balans. Zo’n vennootschap wordt ook wel aangeduid als ‘lege’ vennootschap, maar leeg betekent in dit geval niet dat de vennootschap geen baten meer heeft. Voor deze vennootschap zal, indien zij wordt ontbonden, de vereffeningsprocedure dienen te worden gevolgd. Het bestuur van de vennootschap kan na ontbinding niet anders oordelen dan dat er een bate aanwezig is ter grootte van de vordering op de moeder. Hierna zal ik aan de hand van een aantal balansen laten zien wanneer de turboliquidatie kan worden toegepast en wanneer de procedure tot vereffening dient te worden gevolgd. Er zijn geen activa en tevens heeft de vennootschap een eigen vermogen (EV) van 0. Deze vennootschap is echt ‘leeg’, in de zin dat zij geen baten meer heeft als bedoeld in artikel 2:19 lid 4 BW. Op deze vennootschap kan dan ook zonder meer de turboliquidatie worden toegepast. Deze vennootschap heeft wel een EV van 0 maar tevens nog activa ter grootte van € 10.000. De activa dienen dan ook nog te gelde worden  gemaakt zodat de schuldeisers hiermee kunnen worden voldaan. Deze vennootschap zal de  vereffeningsprocedure moeten volgen alvorens zij ophoudt te bestaan.

Wanneer kan de turboliquidatie nu worden toegepast?

  •  indien de vennootschap zowel geen baten als geen schulden heeft; 
  •  indien de vennootschap geen baten meer heeft, maar nog wel schulden. 

De turboliquidatie zal niet kunnen worden toegepast indien de vennootschap activa heeft met een waarde gelijk aan het geplaatste kapitaal. Indien de turboliquidatie wordt toegepast in bovenstaande gevallen, zullen de belangen van de crediteuren niet worden geschaad, gelet op de mogelijkheid die een crediteur heeft om heropening van de vereffening te verzoeken en eventueel faillissement aan te vragen. In de meeste gevallen zal de turboliquidatie in de praktijk dan ook efficiënt en probleemloos kunnen werken. Wel dient ervoor te worden gewaakt dat vennootschappen op onrechtmatige of paulianeuze wijze naar een turboliquidatie toe gaan werken. Dit betekent dat eerst de activa van de vennootschap te gelde worden gemaakt, de schulden van de  vennootschap worden betaald (voorzover het actief van de vennootschap dit toestaat) en andere  ‘vereffeningshandelingen’ worden verricht, alvorens de algemene vergadering het besluit tot ontbinding zal nemen. Dit zou dan tot situaties kunnen leiden waarbij bepaalde (favoriete of lastige) crediteuren van de vennootschap worden voldaan, en vervolgens de vennootschap op grond van artikel 2:19 lid 4 BW ophoudt te bestaan, terwijl er bij een ontbinding op een eerder moment aangifte tot faillietverklaring zou moeten zijn gedaan door de vereffenaar op grond van artikel 2:23a lid 4 BW. Het toewerken naar een turboliquidatie zou onder omstandigheden ook grond kunnen zijn voor een vordering uit onrechtmatige daad door de benadeelde crediteuren op de (voormalige) bestuurders van de ontbonden vennootschap. Ik wijs in dit verband nog op HR 12 juni 1998, NJ 1998, 727. Hieruit blijkt dat de ongelijke behandeling van crediteuren zelfs  aansprakelijkheid van de moedervennootschap kan opleveren. De dochtervennootschap handelde hier onrechtmatig jegens een crediteur (met intensieve bemoeienis met de gang van zaken door de moedervennootschap) door het bewust en op basis van subjectieve factoren achterstellen van de vordering van deze crediteur bij de vorderingen van alle handelscrediteuren en de vorderingen van haar zustermaatschappijen.

 

 



 

 

 

« Ga terug